Info en garantie:

Tuinplant.nl geeft garantie op uw planten die niet aanslaan* (zie voorwaarde hieronder:) Dit houdt ons bedrijf scherp om kwaliteit te leveren!  Ook na uw garantie-tijd doen wij ons uiterste best om een goede oplossing te vinden. Wij hopen op deze manier uw vertrouwen te winnen, want niets werkt zo fijn als tevreden klanten!

Voorwaarden groeigarantie:
* Op alle planten die in pot geleverd worden geldt een aanslaan-garantie van 2 maanden na de dag van levering. 
* Op alle planten die met kluit of kale wortel worden geleverd geldt een aanslaan-garantie van 2 maanden na de dag van levering tot 1 juni. Uitgezonderd van 1 juni half oktober. In deze periode is de garantie voor kale wortels en kluiten niet geldig.
* Er wordt geen garantie gegeven op vorstschade. Vooral nu is er veel schade in alle groenblijvende planten zoals laurieren, photinia's, eleaegnussen, enz.
*  Buiten de garantie-tijd wordt per geval gekeken welke oplossing wij kunnen bieden.
*  In alle gevallen dienen de planten op de goede manier geplant te worden (potgrond of tuinturf in het plantgat), wortels niet in de wind/zon laten liggen, niet te droog of te nat houden, juiste tijdstip snoeien en moeten de planten een goede standplaats en omgeving hebben. 
*  Garanties worden uitgekeerd in tegoed/waarde bonnen van Tuinplant.nl BV, nooit in geld. 

 

 

Klik op onderstaande linksvoor informatie over:

  1. Specificaties van planten
  2. Bamboe
  3. Bemesting
  4. Bloembollen
  5. Bodembedekkers
  6. Bomen
  7. Bonsai
  8. Coniferen
  9. Containerplanten
  10. Druiven
  11. Eenjarige zomerbloeiers
  12. Fruitbomen
  13. Graszoden
  14. Hagen
  15. Heesters
  16. Heesters groenblijvend
  17. Heesters winterbloeiend
  18. Heide
  19. Klimplanten
  20. Kruiden
  21. Kuipplanten
  22. Rozen
  23. Siergrassen
  24. Snoeivormen
  25. Varens
  26. Vaste planten
  27. Vijver- en moerasplanten

1. Specificaties van planten
Maat:
De maatvoering wordt aangeduid in hoogte centimeter plant.
Potmaat: C staat voor container (pot). Het getal staat voor inhoud in liters pot. Bijvoorbeeld: C1.5 betekent een pot met 1.5 liter inhoud.
P staat voor een potmaat:
P9: 0,7 liter inhoud
P10,5: 1 liter inhoud
P13: 1,3 liter inhoud
P14: 1,5 liter inhoud
P15: 2 liter inhoud
P17: 3 liter inhoud
P19: 4 liter inhoud
Kluit: Hier wordt aangegeven of de plant met kluit of wortel wordt aangeboden. Bij grotere maten worden de planten met een draadkluit aangeleverd. Als wortel wordt er een kale wortel zonder grond geleverd, verpakt in een plastic zak.
Leverbaar: Wanneer de plant leverbaar is.
Per m: Het aantal benodigde planten per meter voor een haag, zoals haagplanten.
Per m2: Het aantal benodigde planten voor een dichte border, zoals bij borderbeplanting.
Dikte stam: Stamomtrek wordt aangegeven in centimeters gemeten 100cm boven de pot of kluit. Voorbeeld: 10-12 betekent een stamomtrek tussen de 10 en 12 centimeter, gemeten 100cm boven de grond.
Afkortingen:
180cm stam: Planten met een stamhoogte van 180cm.
Blok: Blokvorm vierkant.
Bonsai: Oude plant met meerdere gesnoeide platte schalen vormen in lagen.
Bol: Plant in bolvorm.
Dakvorm: Plant als dak geleid, meestal bomen.
Duobol: Plant met twee bollen.
Geveerd: 1 doorgaande tak met takken opzij.
Halfstam: Planten met een stam van 100 tot 150cm.
Hoogstam: Hoogstam 180 tot 220cm in bolvorm.
Kegel: Kegelvormige plant met vlakke kanten.
Kubus: Plant met vierkant vormen.
Leivorm: Verticaal geleid.
Meerstammig: Meerdere takken vanuit de bodem gezien.
Multibol: Meerdere bollen op een plant.
Pyramide: Planten in piramidevorm.
Spiraal: Planten in spiraal vorm.
Stam: Plant op stam.
Triobol: Plant met 3 bollen.

2. Bamboe

Bamboes hebben met hun zacht, ruisende blad een mooie sierwaarde.
De niet woekerende bamboe, Fargesia, kan zonder een wortelbegrenzer geplant worden. Deze bamboe is uiterst geschikt voor een haag.
De reuzenbamboe, Phyllostachys, kunnen wel 10 meter hoog worden en woekeren. Hiervoor is een wortelbegrenzer nodig.
De pseudosasa is een goede bamboe voor een balkon of haag.
De bodembekkende bamboe is de Pleioblastus.

 

3. Bemesting
Bemesting is altijd noodzakelijk. Planten en bomen ontwikkelen, bloeien en groeien beter als ze extra voeding krijgen. Planten die voldoende voedingsstoffen kunnen opnemen, hebben ook minder last van ziekten. Planten geven zelf aan dat ze gebrek hebben. Vooral aan het blad en de matige groei is te zien of ze een gebrek aan bemesting hebben. Het blad is dan lichtgroen, geel, bruine randen of er kunnen gele vlekken op de bladeren komen.
Meststoffen: Tuinplant.nl biedt vele soorten meststoffen aan, afhankelijk van soort en maat. Zo is er onder andere gazonmest, buxusmest, coniferenmest, hortensiamest, enz. Bij de aangegeven soorten staat het advies welke bemesting u het beste bij u plant kan
strooien.
Wanneer mesten:In het vroege voorjaar en in de vroege zomer. De planten beginnen dan te groeien en kunnen de planten de voeding optimaal opnemen. Het gazon en de rozen hebben meerdere malen per groeiseizoen voeding nodig.
Het toedienen van mest: De meeste meststoffen worden als organische korrels aangeboden. Deze korrels dient u bij niet zonnig en niet te warm weer bij de planten te strooien. Strooi nooit op de plant, maar enkele centimeters vanaf de plant. De regen zorgt voor uitspoeling in de grond waardoor de wortels de voeding op kunnen nemen. Strooi nooit te veel in 1 keer, liever frequenter dan verbranding van de planten.

4.Bloembollen
Bollen worden veel tussen de vaste planten voor hun bloeiwijze geplant. Wanneer u goed op de bloeitijd let en meerdere soorten plant, kunt u een half jaar verzekerd zijn van bloei.
De bloeitijd: Voorjaarsbloeiende bollen worden in het najaar geplant en zomerbloeiende bollen in april/mei.
De plantdiepte: Bollen worden tweemaal zo diep geplant als dat ze hoog zijn.
Verwilderingsbollen: Bollen die na de bloei in de grond kunnen blijven zitten en het jaar erop weer bloeien, worden verwilderingsbollen genoemd. Het is mogelijk dat de bollen zichzelf vermeerderen. Sneeuwklokjes (Galanthus), scilla's, kievitsbloem (Fritillaria meleagris) en krokus zijn echte verwilderingsbollen en ook narcissen- en anemonensoorten.
Bollen op hun plaats: Veel vroegbloeiende soorten zoals sneeuwklokjes, scilla's en winterakonieten kunt u behalve in de borders ook onder bladverliezende heesters planten. In het voorjaar zijn deze struiken kaal en krijgen de bollen nog genoeg zon. Tulpen, narcissen en hyacinten staan prachtig tussen vaste planten. Een groot aantal bij elkaar geeft het mooiste effect.
Zomerbollen en knollen: Dahlia's, begonia's en gladiolen zijn de bekendste zomerbloeier. Ze worden in het voorjaar geplant en bloeien nog dezelfde zomer. In potten doen zomerbollen het goed.

5. Bodembedekkers
Bodembedekkende planten zijn in elke tuin onmisbaar en hebben ook een praktische voordeel. Doordat ze de bodem bedekken krijgt onkruid minder kans. Ook zorgen ze ervoor dat de aarde bedekt blijft, zodat de grond minder snel uitdroogt.
Bodembedekkende vaste planten:Veel soorten kunnen in de zon of schaduw staan. Op het kaartje in het potje staat met een symbool vermeld of de plant een bodembedekker is en of hij een zonnige of schaduw standplaats wil. Bekende groenblijvende soorten zijn Maagdenpalm (Vinca soorten) en de Pachysandra terminalis.
Bodembedekkende heesters:Ook heesters kunnen een bodembedekker zijn. Struikheide (Calluna), dopheide (Erica), kardinaalshoed (Euonymus fortunei) en spierstruik (Spiraea) zijn bekende soorten. Ook klimop (Hedera) soorten en klimhortensia (Hydrangea petiotaris) zijn wintergroen en goede bodembedekkers.
Bodembedekkende coniferen: Veel conifeersoorten zijn kruipsoorten en kunnen de bodem goed bedekken en zijn groenblijvend. Jeneverbes soorten (Juniperus) en de dwergden (Pinus pumila) zijn hier voorbeelden van. Bodembedekkende rozen: Een bekende lang bloeiende, bodembedekkende roos is de roze 'The Fairy'.

6. Bomen
De keuze in bomen is erg groot. Zie de webshop voor ons assortiment.
Klein blijvende bomen: Zelfs in een kleine tuin horen bomen thuis. Ze zorgen zomer en winter voor een belangrijk verticaal accent en geven een tuin meer diepte.
Lei- en dakvormen: Al van oudsher werden leibomen toegepast. Voor boerderijen fungeerden ze als windkering en zorgden ze voor schaduw. Veel dorpen hebben nog steeds hun karakteristieke waarde door de oude, vaak knoestige leibomen die er jaren geleden zijn aangeplant. Ook bij een modern huis kunnen leibomen een goede keuze zijn. Heel bekend zijn leilinden (Tilia) en leiplatanen. De rekken, die in de bomen zijn aangebracht om hem zijn vorm te geven hebben ook nog eens decoratieve waarde. Als dakvorm of parasolvorm worden vaak dakplatanen gebruikt die bijvoorbeeld op het terras voor natuurlijke schaduw zorgen en zo de functie van een zonnescherm overnemen. Er zijn vele soorten en maten te verkrijgen, zie onze webshop voor het assortiment.
Bolbomen: Bolbomen hebben een ronde vorm en zijn goed als solitair te gebruiken. Ook komen ze goed tot hun recht als ze bijvoorbeeld aan weerszijde van een pad of op de hoeken van een huis worden toegepast. Bekende soorten zijn: bolesdoorn (Acer platanoides 'Globosum'), bolacacia (Robinia pseudoacacia 'Umbraculifera') en boltrompetboom (Catalpa bignonioldes 'Nana').
Treurbomen: Treurbomen die niet al te groot worden kunt u bijvoorbeeld bij de vijver toepassen. Veel soorten treurbomen zoals berk en beuk worden niet al te groot. Bijvoorbeeld is de sierpeer (Pyrus saticifolia 'Pendula') met afhangend, decoratief grijs blad. De witte bloesem in het voorjaar en de kleine oneetbare groene peertjes in de nazomer is decoratief.
Sierappels: Sierappelsoorten (Malus) bloeien in het voorjaar en dragen vruchten in het najaar die lang aan de boom blijven hangen. Omdat deze boom bijna ieder seizoen iets te bieden heeft, is hij vooral in een kleine tuin een goede keuze.

7. Bonsai
Bonsai is een Japans woord dat 'boom in pot' betekent. Feitelijk staat dit woord voor de techniek om miniatuurbomen te kweken. De natuurlijke groei wordt afgeremd door zowel de wortels als de plant op bijzondere wijze te snoeien en te leiden. Meestal verkoopt Tuinplant.nl bonsai als schaalvormige snoeikunst in meerdere lagen, variërend van 100cm tot 300cm.
De bonsais willen een beschutte, zonnige plek. Vriest het harder dan vijf graden dan moeten ze, omdat ze in een pot wat kwetsbaarder zijn, worden beschermd. U kunt ze inpakken met isolerend materiaal zoals noppenfolie of stro.
Water geven: Alle bonsais hebben veel water nodig want de grond in de pot of schaal droogt vrij snel uit. Zorg daarom dat de grond steeds vochtig blijft.
Voeding en verpotten: Een bonsai groeit in zo weinig aarde dat extra voeding noodzakelijk is. Kleine boompjes worden eens in de twee jaar en grotere eens in de drie á vier jaar verpot. Gebruik hiervoor altijd speciale bonsaigrond. Haal de plant met kluit en al uit de schaal door hem van onderen bij het gaatje los te maken. Haal dan voorzichtig ongeveer de helft van de grond rond de wortels weg. Zet daarna de kluit weer in de nieuwe pot met verse bonsaigrond en geef flink water.

8. Coniferen
Coniferensoorten zijn er met naalden en met schubben en er zijn er zelfs met blad, zoals de Japanse notenboom (Ginkgo biloba). De meeste coniferen blijven in de winter groen. Er zijn ook soorten die in de winter kaal zijnzoals de lork (Larix) en de Ginkgo. Grote coniferensoorten kunt u gebruiken in een grote tuin, bijvoorbeeld in of langs een gazon. In een plantenborder kunt u aan een dwergsoort of aan een smal blijvende conifeer denken. Eenn groenblijvend conifeert zorgt in de zomer tussen alle kleur voor rust en in de winter komt zo'n conifeer helemaal goed tot zijn recht.
Een conifeer planten: Plant een conifeer als het niet vriest of als het niet te warm en te droog is. Maak een tweemaal zo groot plantgat als de kluit. Woel de ondergrond goed los en meng Tuinturf en potgrond door. Als de kluit in een net zit, zet u de boom daarmee in het plantgat. Maak dan de gaaslap pas los en haal deze weg. Zo beschadigd u de wortels niet. Breng de uitgegraven grond met tuinturf en potgrond weer terug in het plantgat en stamp voorzichtig aan. Geef voldoende water water.
Vooral in het begin is het belangrijk dat de conifeer dagelijks water krijgt, vooral met warm en droog weer.
Haagconiferen: Geschikte haagconiferen zijn o.a. schijncypres (Chamaecyparis lawsoniana soorten), Cupressocyparis leylandii soorten, Taxus baccata en de levensboom (Thuja soorten) en Thuja occidentalis soorten.
Kleur en geur: Behalve groene coniferen zijn er ook coniferen met een blauwachtige, gele en een gouden tinten. Ook de zaadkegels kunnen hun decoratieve waarde. Blauw- en groentinten geven een tuin rust en geel valt onmiddellijk op. Zet u een gele conifeer achter in de tuin, dan zal hij toch nog voldoende opvallen. De geur van coniferen is heerlijk. Er zijn soorten die naar geraspte appel en sinaasappel geuren.
Snoeien: De meeste coniferensoorten worden tweemaal per jaar gesnoeid. De eerste keer in juni en de tweede keer in augustus/september. Niet snoeien bij warm droog weer.

9. Containerplanten
Om het hele jaar door te kunnen planten, worden veel bomen, heesters, vaste planten en rozen in potten gekweekt. Ook hebben containerplanten als voordeel dat de wortels weinig van het verplanten te lijden hebben. Planten en bomen in potten zijn makkelijk te vervoeren en zullen in uw tuin snel en voor 100% aanslaan. In de regel zijn grotere containerplanten en bomen duurder dan kluitplanten en bomen.
Containers en zakken: Bekend zijn de vierkante potjes waarin meestal vaste planten worden aangeboden. De ronde containerpotten worden veel voor heesters en bomen gebruikt. Plastic zakken worden, tegen uitdroging van de wortels, voor bomen met kale wortel gebruikt. Heesters, bomen en coniferen worden zowel in pot als kluit aangeboden. Wanneer er een plant als kluit wordt aangeboden is de kluit in een gaaslap geknoopt. Laat deze gaaslap om de kluit en pas als u een plantgat heeft gegraven en de plant hierin heeft gezet, knipt u voorzichtig de lap los zodat de kluit zoveel mogelijk intact blijft. Voordat u gaat planten altijd al het materiaal zoals potten, containers en gaaslappen verwijderen.
De teelt in volle de grond: Bomen uit de volle grond worden met ‘kale wortel' geleverd. De meeste planten kunnen worden gerooid als ze in rust zijn. Dit is in het najaar, als het blad af is gevallen en in de winter als het niet vriest, tot het vroege voorjaar voordat de knoppen zich ontwikkelen. De tuinplanten die als kluit of kale wortel worden geleverd hebben vaak te lijden aan het rooien, omdat de wortels worden ingekort. Ook het vervoer van planten en bomen uit de volle grond is wat lastiger. Bij thuiskomst dienen de wortels goed bedekt te worden tegen zon en wind. Plant de planten zo snel mogelijk en geef goed en frequent water. Planten en bomen in containers en potten hoeven, als u ze tenminste op tijd water geeft, niet meteen te worden geplant.
De behandeling van beplanting in potten: Zet de plant met pot en al in een emmer water, zodat de wortels goed nat zijn.
Maak een ruim plantgat en meng potgrond door de aarde in het plantgat. Verwijder de pot en als dit lastig gaat, knip hem dan stuk. Zet de plant in het plantengat en vul het gat aan potgrond. Zet de plant of boom altijd net zo diep als hij in de pot of kluit stond stond. Druk de aarde voorzichtig aan en geef de plant water. Bij droog weer frequent water geven.

10. Druiven
Druiven hebben een klimmende groeiwijze en nemen op de begane grond relatief weinig ruimte in, ze passen daarom zelfs in een kleine tuin.
Goede winterharde soorten:In een kas kunt u alle soorten druiven planten. Voor de tuin buiten kunt u het beste de sterke, winterharde rassen kiezen zoals de blauwe druif (Vitis ‘Boskoop Glory' en ‘Rembrandt') en de witte druif (Vitis ‘Vroege van der Laan').
Een druif planten: Plant de druif zo zonnig mogelijk tegen een muur, schutting of pergola op het zuiden. Een druif heeft steun nodig om te klimmen. Druiven houden van niet te natte, kalkhoudende grond. Spit voor u gaat planten de grond om en werk er Compost en potgrond door. Haal de druif voorzichtig uit de pot en plant hem net zo diep als dat hij in de pot stond. Druk de grond goed aan. Bind de druif aan.Bemesting: Geef de druif als voeding in het voorjaar gedroogde koemest en/of bloedmeel.
Snoeien: De vorm van de druif is afhankelijk van de plek waar hij komt te staan. Tegen een muur kunt u voor een leivorm keizen. Tegen de paal van een pergola groeien de takken vooral boven op de dwarsliggers. De beste tijd om de druif te snoeien is, als het niet vriest, tussen eind december en half januari. De druif is dan volledig in rust en ook zijn sapstroom is dan nog niet op gang. U snoeit de zijtakken die vrucht hebben gedragen tot op twee ‘ogen' terug. De ‘ogen' herkent u als een verdikking op de takken. Bent u vergeten uw druif te snoeien, snoei dan niet in het voorjaar, de druif kan dan gaan ‘bloeden'. Als later in het seizoen de druif volop in blad zit, dan is dit gevaar voorbij en kunt u een aantal takken weghalen. In de zomer kunt u het blad dat te veel schaduw aan de vruchten geeft weghalen. Iedere tros heeft zes bladeren nodig om goed te rijpen. Hoe meer zon de trossen krijgen, des te beter de smaak.
Krenten: Wilt u mooi dikke trossen dan kunt u met een schaartje de kleine, minder ontwikkelde vruchtjes uit de tros knippen. Dit heet krenten.

11. Eenjarige zomerbloeiers
Van eenjarige zomerbloeiers heeft u de hele zomer plezier. Ook in een tuin met vaste planten en heesters horen ze zeker thuis. Ze bloeien vaak maandenlang en hun vrolijke kleuren geven de tuin een zomers accent. Behalve in de volle grond kunt u ze in potten, bakken en kuipen zetten.
Wanneer planten? Als de kans op nachtvorst na half mei voorbij is, kunnen eenjarige zomerbloeiers geplant worden.
In potten: Belangrijk is dat het regen- en gietwater altijd weg kan lopen uit de pot. Kies een bak met onderin een gat en leg hierover kleikorrels of potscherven. Stort in de pot Potgrond en haal voorzichtig de planten uit de plastic potten. Zet de plant in de potgrond en druk de plant aan. In Potgrond zit voor de eerste weken voeding genoeg, daarna kunt u gaan bijmesten. Planten bloeien en groeien beter als ze van tijd tot tijd bemest worden. Verwijder steeds de uitgebloeide bloemen inclusief steel. De planten steken hun energie dan niet in het zetten van zaad, maar bloeien de hele zomer door.
Eenjarige zomerbloeiers in de zon en schaduw:
Eenjarige zomerbloeiers groeien en bleoien het best op een zonnige plek. Tabaksplanten (Nicotiana), vlijtig Liesje (Impatiens), (knol)begonia en fuchsia's kunnen flink wat schaduw verdragen.

12. Fruitbomen
Een fruitboom in de tuin is elk seizoen aantrekkelijk. In het voorjaar verschijnen de bloesems, in de zomer de vruchten, in het najaar kan het blad verkleuren en in de winter zijn de kale takken heel decoratief. De meeste fruitbomen zijn op een onderstam geënt. De stam is van een ander ras en daarop is een fruitsoort geënt met een ‘merk'naam zoals de bekende appel ‘Goudreinet'. De onderstam bepaalt of de boom langzaam of hard zal groeien.
Bestuiving: Veel fruitsoorten (appels, peren, kersen, pruimen) hebben het stuifmeel van een ander ras nodig om vruchten te vormen. Gelukkig zijn er genoeg fruitbomen die zichzelf kunnen bestuiven. Van deze zelfbestuivende soorten hoeft u dus maar één boom te planten om toch veel vruchten te krijgen. Op het plantenetiket dat aan de boom hangt, vindt u de nodige informatie.
Standplaats: Alle vruchtbomen staan het liefst op een zonnige open plek. Als zonlicht voldoende op de kroon kan schijnen en de wind tussen de takken kan spelen, voorkomt u dat de boom last krijgt van schimmelziekten.
Het planten:Zet de boom met de container of kale wortel in een emmer water zodat de wortel goed nat is. Graaf een ruim gat waarin de wortels van de boom makkelijk in past. Vermeng de aarde in het plantgat met potgrond. Haal de boom voorzichtig uit de container en plant hem net zo diep als dat hij in de pot stond. Vul het plantgat met de verbeterde aarde en druk de grond voorzichtig met de voet aan. Boor, op het zuidwesten, met een palenboor 15 cm van de stam een gat. Sla de 250cm lange paal ruim 1 meter in het gat. Maak de boompaal aan de boom vast met speciaal boomband.

13. Graszoden
Steeds meer tuinbezitters geven de voorkeur aan graszoden. Het wachten tot dat een ingezaaid gazon is dichtgegroeid en daarmee gebruiksklaar, duurt te lang. Graszoden daartegen zijn na twee weken vastgegroeid en is de grasmat beloopbaar.
De geringe meerprijs t.o.v. zaaien verdient u vanzelf terug omdat u geen onkruidbespuitingen hoeft uit te voeren, u loopt geen risico dat het graszaad niet of onvoldoende opkomt.
De graszoden van Tuinplant.nl zijn mooie dichte, dikke, onkruidvrije zoden. De graszoden worden ingezaaid met ons eigen samengestelde graszaadmengsel van rassen, die aan de hoogste eisen voldoen. De graszoden worden geleverd in rollen van 1 vierkante meter (40cm breed en 250cm lang). Eén rol weegt 15-20kg, afhankelijk van het weer.
Graszoden vragen daarom een goede verzorging. In opgerolde toestand blijven de zoden 36 uur in goede conditie. Voor een optimaal resultaat dient u de zoden op een goed voorbewerkte ondergrond te leggen, die voldoende vocht en voedingsstoffen bevat. Gebruik voor de ondergrond bemeste tuinaarde of potgrond.
Aanleg gazon:
Werkvolgorde
Stap 1:U begint met de grond te spitten als deze erg ongelijk ligt, sterk verdicht is en als er veel onkruid groeit. Tevens kunt u de voedingstoestand van de grond verhogen door compost of bemeste tuinaarde door de grond te spitten. De grond na het spitten egaliseren met de hark.
Stap 2: Voor het leggen van de graszoden moet de ondergrond dus volkomen vlak zijn. Met de grasroller of lichtjes aanstampen met de voet wordt de grond weer in vaste toestand gebracht. Dit voorkomt dan putten en bulten en dus een slechte, oneffen maaihoogte. Na het aandrukken het bovenste grondlaagje van 1 cm los harken. Tijdens alle bewerkingen mag de grond wel iets vochtig zijn maar niet te nat.
Stap 3:Direct voor het uitrollen van de zoden moet de grond enigszins vochtig zijn d.m.v. sproeien. Rol de zoden zodanig uit, dat deze strak tegen elkaar komen te liggen.
Stap 4: Na het leggen van de zoden is aanrollen aan te raden. Geef nu voldoende water opdat de beworteling van de zoden op gang komt. Houdt de eerste paar weken de vochttoestand in de gaten. Bij droog weer regelmatig water geven om uitdrogen te voorkomen. Geef in de eerste 4 weken na het leggen van de zoden in geen geval kunstmest.
Stap 5: Twee tot drie weken na het uitrollen zijn de zoden vastgegroeid. Het gevaar van uitdrogen is nu veel minder groot. Afhankelijk van het jaargetijde zal er vrij snel na het leggen van de zoden gemaaid moeten worden. Meestal is dat na 2 weken het geval. De maaimachine moet scherp zijn en afgesteld op de juiste maaihoogte. Siergazons worden gemaaid op 2-3 cm hoogte. Speelgazons en sportvelden worden gemaaid op 3-4 cm hoogte. De eerste maand dient het gazon nog voorzichtig te worden behandeld. Er kan wel voorzichtig op gelopen worden
De onderhoud-gazonkalender:
Januari: Verwijder alle aanwezige bladeren op het gazon.
Februari: In deze maand hoeft u helemaal niets te doen. Bekijk wel alvast of de messen van uw maaier scherp zijn en laat ze zonodig slijpen.
Maart: Controleer of na langdurige regenperiodes het water binnen enkele uren verdwenen is. Is dit niet het geval dan is het raadzaam om drainagegaten in de grond te boren/graven, en deze met grof materiaal, bv grind op te vullen. Hierdoor kan het water worden afgevoerd naar de ondergrond. De grasmat in deze periode bekalken met ongeveer 1 kg kalk per 10 m2. Dit zorgt ervoor dat de zuurgraad (PH) op peil blijft.
April: Dit is de juiste maand om eventueel mos te bestrijden. Koop hiervoor een mosmiddel met ijzersulfaat en verdeel dit goed over het gazon. Na ongeveer een week kunt u gaan verticuteren met een speciale hark of machine. Maai voor het verticuteren het gras op 3 tot 4 cm. Door het verticuteren worden mos en dode grasresten verwijderd en word de bodem belucht. De messen zullen wortels doorsnijden en hierdoor word het gazon aangespoord om nieuwe wortels te vormen. Bij een zwaar lemige grond is het raadzaam om ieder jaar in deze maand, scherpe (gele) zand over het gazon te strooien. Maximaal 0,5 cm. Op deze manier kan de toplaag beter draineren en kan er meer zuurstof in de grond dringen. Kale plekken kunt u opvullen met compost en nazaaien met zaad. Ook is dit de geschikte periode voor de eerste bemesting. Bij gebruik van een minerale meststof altijd goed water geven gelijk na het strooien. Strooi 3-4 kg mengmestkorrels per 100m2. Deze N.P.K. meststof moet samengesteld zijn met stikstof (N), fosfor (P) en kali (K) in ongeveer gelijke verhoudingen. De kunstmestkorrels moeten door de 10 cm dichte bovenlaag worden ingeharkt om later verbranding van de jonge wortels te voorkomen. Een organische meststof geeft geen verbranding en bevordert en goed bodemleven.
In deze maand altijd grasresten na het maaien verwijderen.
Mei: Dit is de juiste maand om eventueel onkruid te verwijderen of kapot te spuiten. Verwijderen kan door het uitsteken van grof onkruid. Verwijder ook alle wortelresten. Als er pleks gewijs onkruid in uw gazon zit kan dit ook pleks gewijs worden gespoten. Kies voor een goede onkruidvernietiger. Besteed minimaal een keer per jaar aandacht aan onkruid in uw gazon. Een gazon dat overheerst word door onkruid is vaak niet meer te redden. Maai regelmatig uw gazon. Doe dit alleen als het gazon droog is. Verwijder zoveel mogelijk de maairesten en composteer dit eventueel. Besproei bij mooi weer regelmatig uw gazon, bij voorkeur s'avonds of s 'nachts.
Juni: Juli: Augustus: Regelmatig maaien op een hoogte van 4 tot 5 cm.
Op plaatsen waar het gras niet goed groeit, of op plaatsen die intensief gebruikt worden kan men de bodem beluchten met een riek of een prikrol. Bij droog weer regelmatig water geven.
Als de kleur van het gras lichtgroen word is dit vaak een tekort aan stikstof. Dus regelmatig bemesten met NPK.
September: De maaihoogte terug brengen naar 3 tot 4 cm en de maaifrequentie verminderen.
Oktober: Eventueel een laatste keer bemesten. Bladeren op het gazon verwijderen. Als deze op het gazon blijven liggen ‘stikt' het gazon en krijgt mos meer kans. Eventueel nog een mosbestrijding uitvoeren en verticuteren.
November:Eventueel nog een laatste keer maaien. Niet bij nat weer of vorst. Alle bladresten van het gazon verwijderen.
December: In deze maand hoeft u niets te doen. Probeer zo min mogelijk over het gazon te lopen, zeker als het gazon bevroren is.
Meest voorkomende problemen:
Bruine en gele plekken in het gazon:Dit komt vaak voor bij het gebruik van verkeerde meststoffen of een verkeerd bemestingsmoment.
Strooi nooit midden op een zonnige dag. Stompe messen van de maaier kunnen een gele waas over het gazon geven. Urine van honden of andere huisdieren kan leiden tot pleksgewijze verbranding van het gazon. Kale plekken kunnen worden hersteld door het uitkrabben van de grond, waarna deze pleksgewijs opnieuw kan worden ingezaaid.
Mos in het gazon: Een snelgroeiend gazon geeft de minste problemen met mos. Dus regelmatig bemesten en niet te kort maaien. Minimaal een keer per jaar verticuteren met een speciale hark of een verticuteermachine in het voor of najaar. Mos in een vroeg stadium bestrijden door verticuteren en/of een mosbestrijding uit te voeren. Een natte, voedselarme, zure ondergrond is een ideale voedingsbodem voor mos. Als het water niet goed wegzakt, de grond beluchten, en eventueel een keer per jaar bezanden (scherpe zand strooien over het gazon.) Grasmaaisel alleen laten liggen bij mooi weer. Let op: wel regelmatiger maaien, 'lang' maaisel verstikt het gazon. Een keer per jaar 1 kg kalk per 10m2 strooien in de herfst of vroege voorjaar.
Onkruid: Onkruid kan worden voorkomen door regelmatig bemesten, uitsluitend met een gazonmest.
Op tijd sproeien. Kale plekken voorkomen of direct opnieuw inzaaien. Mos op tijd bestrijden.
Niet te kort maaien.

14. Hagen
Behalve als erfscheiding kunt u een haag ook gebruiken als windkering of om minder fraaie zaken uit het zicht te houden. Denk ook eens aan een haag als rugdekking voor een tuinbank.
Het planten:Span een lijn tussen twee palen waar de haag, moet komen. Graaf langs de lijn een sleuf: diepte zo hoog als de kluit, breedte 1,5 maal de breedte van de kluit. Verbeter de ondergrond met Potgrond. Leg de planten op gelijke afstand langs de sleuf. Verwijder altijd eerst de gaaslap of de container die om de kluit van de haagplant zit. Zet de planten rechtop in de sleuf en stort de grond en potgrond over en tussen de wortels. Trap de aarde goed aan en kijk nog of alle planten op dezelfde afstand en in dezelfde lijn staan. Zo niet, dan kunt u dit nog corrigeren. Snoei de haag in vorm. Geef de heg ruim water en bemest hem in het voorjaar.
Hoeveelheid planten per meter: Hoeveel haagplanten per meter u nodig hebt, is afhankelijk van de grootte van de plant en het soort. Gemiddeld is dat onder 60 cm planthoogte vijf tot zes stuks, van 60cm tot 100cm 4 stuks en hoger dan 100cm 3 stuks. De aantallen per meter staat aangegeven in de webshop.
Groenblijvend: Bijvoorbeeld Buxus, hulst (ilex) en laurierkers (Prunus laurocerasus) blijven in de winter groen. Coniferen die als haag worden gebruikt zijn bijvoorbeeld Taxus, Tsuga, Thuja, Chamaecyparis en Cupressocyparis leylandii soorten. Zie de webshop voor meer soorten.
Halfbladhoudend: Liguster (ligustrum) blijft in een 'normale' winter groen, maar als het lang streng vriest kan de haag zijn blad verliezen. Beukenhaag (Fagus sylvatica) wordt bruin in het najaar en 2/3de blijft het blad in de winter aan de haag hangen.
Snoeien: De meeste haagsoorten worden tweemaal per jaar gesnoeid. De eerste keer in juni en de tweede keer in augustus/september.

15. Heesters
Met heesters en struiken wordt hetzelfde bedoeld. Ze onderscheiden zich van bomen doordat ze geen duidelijke stam vormen. Ze komen met meerdere takken uit de grond en dat geeft ze de specifieke struikvorm. Heesters geven een tuin 'body' of volume en worden vanwege hun bloemen, bessen of mooie bladeren aangeplant. De verzorging is over het algemeen simpel en de sierwaarde is heel hoog.
De standplaats van heesters: Door een aantal heesters op een rij te plaatsen ontstaat er een haag. U kunt verschillende soorten door elkaar zetten of voor één soort kiezen. Heesters staan prachtig op het achterste gedeelte van een border. Ook tegen muren en schuttingen komen heesters goed tot hun recht.
De verzorging van heesters: Het bemesten van heesters gebeurt in het voorjaar en behalve meststoffen die universeel kunnen worden gebruikt, is er voor sommige heesters speciale voeding, bijvoorbeeld hortensiamest. Al deze meststoffen kunt u bij Tuinplant.nl bestellen.
Heesters die schaduw verdragen: Hortensia (Hydrangea) is een heester die bijna altijd inzetbaar is. Hij kan flink wat schaduw verdragen en behoudt maandenlang sierwaarde. Al in het vroege voorjaar verschijnt het frisse blad, later volgen de bloemen die tot ver in het najaar aantrekkelijk zijn. Meerdere hortensia's bij elkaar, bijvoorbeeld geplant langs een inrit, geeft uw tuin een extra mooie uitstraling. Ook in een border met wat schaduw, bijvoorbeeld tussen vaste planten, hoort de hortensia thuis.
De broodboom (Aucuba) is een bladhoudende struik die goed schaduw verdraagt. Ook Buxus en hulst (llex) zijn wintergroen en kunnen goed tegen wat schaduw. Sorbaria, een bladverliezende heester heeft witte bloempluimen die een donkere schaduwplek mooi oplichten.
Heesters met een toegevoegde waarde: Veel heesters hebben in de herfst prachtig gekleurde bessen en/of bijzonder getinte bladeren. Callicarpa heeft opvallende paarse bessen en bij de vuurdoorn (Pyracantha) zijn ze oranje of geel. Veel heesters hebben siervruchten zoals sierkwee (Chaenomelis) en sierappelsoorten (Malus).
Heesters snoeien: Hoe groot een heester mag worden is natuurlijk afhankelijk van de beschikbare ruimte. Toch zullen struiken die regelmatig gesnoeid worden beter bloeien en mooier in vorm blijven. Als licht en lucht makkelijker de takken kunnen bereiken zal een heester gezonder blijven. Haal takken die elkaar kruisen weg. Ook dood hout altijd wegknippen. Veel struiken kunt u in model snoeien of om ze te verjongen af en toe eens een tak tot op de grond wegnemen.
Snoei van voorjaarbloeiende heesters:
Heesters die vóór 21 juni (de langste dag) bloeien, zoals brem (Cytisus), Forsythia, Ribes en sering (Syringa), hebben hun bloemenknoppen al in de vorige herfst aangelegd. Ze bloeien dan in het voorjaar en worden na de bloei, in de zomer, gesnoeid. Snoeit u in het vroege voorjaar zal uw heester dat jaar niet bloeien.
Snoei van nazomerbloeiende heesters: Deze heesters maken hun bloemknoppen nog hetzelfde jaar aan. De bekende vlinderstruik (Buddleja davidii) kan dus in het vroege voorjaar flink teruggesnoeid worden en zal toch dezelfde zomer prachtig bloeien. Ook de meeste rozensoorten maken pas bloemknoppen in het voorjaar.
Het 'bloeden van bomen': Berken, esdoorns en notenbomen kunnen het best gesnoeid worden als ze in hun rustperiode zijn. Dat is in december en januari. Hun sapstroom is dan nog niet op gang dus als u er dan een tak afzaagt zal de sapstroom niet uit de wond komen. Dit heet 'bloeden'. Later in het voorjaar, als er nog geen blad aan de boom zit, loopt u dit risico wel.
Hortensia's snoeien:
Hortensia's (Hydrangea) bloeien in de zomer. Als u de hortensia in het voorjaar terugsnoeit zal deze weinig of niet bloeien omdat de bloemknoppen in het vorige seizoen zijn aangelegd. Beter is om af en toe een tak tot op de grond af te knippen. De struik verjongt zich dan en de takken die u heeft laten zitten bloeien wel. Uitzonderingen zijn de soorten Hydrangea arborescens 'Annabelle' en de pluimhortensia (Hydrangea paniculata); zij kunnen wel in het voorjaar teruggesnoeid worden want ze maken bloemknoppen in hetzelfde jaar als de bloei.

16 Heesters groenblijvend
In het najaar en in de winter zijn groenblijvende struiken onmisbare elementen in de tuin. Maar ook in de zomer vervullen ze een belangrijke functie. Met hun vaak diepgroene blad zorgen ze dan voor een rustpunt tussen al het kleurgeweld. Er zijn ook groenblijvende heesters die bloeien. Bekende voorbeelden zijn de rhododendron en laurierkers (Prunus laurocerasus). Groenblijvende heesters met een bijzondere bladkleuring zoals de bonte hulst (ilex) kunnen een donkere plek verlevendigen. Heel decoratief zijn Pernettya en Gaultheria die prachtige, gekleurde bessen dragen. Veel groenblijvende heesters zoals Buxus en hulst (Ilex soorten) kunt u in een mooie vorm snoeien, zoals eenbol, blok of piramide. Broodboom (Aucuba) is er niet alleen met groen blad, maar ook met een bonte vorm (Aucuba japonica 'Variegata'). Buxus wordt behalve als haag ook veel als belangrijk groen vormelement in een border gezet. Klimop (Hedera) is een bijna onmisbare klimplant. Behalve met donkergroen blad zijn er ook soorten met bonte bladeren. De struikvormige klimop (Hedera arborescens) heeft prachtige bessen die in de winter en voorjaar als vulling voor boeketten kunnen worden gebruikt. Hulst (Ilex) is er ook met verschillende bladtinten en verschillende soorten dragen bessen. De Japanse hulst (llex crenata) is een langzaam groeiende heester en vooral de geelgroene (ilex crenata 'Golden Gem') heeft veel sierwaarde. Lonicera nitida heeft eironde, teerachtige blaadjes, en is mooi als haagje of solitair te gebruiken. De betrekkelijke grote vruchten van de Skimmia die mooi uitkomen tegen het wintergroene blad geven deze struik een opvallend uiterlijk. Vegeet vooral de Sneeuwbes (Viburnum tinus en Viburnum davidii) niet, met zijn mooi bloeiwijze en bessen in de winter.
De verzorging: Groenblijvende heesters houden van standplaatsen met wat vochtige grond. Zorg daarom dat de grond bij de wortels niet uitdroogt. Ook in de winter gaan groenblijvende struiken door met de verdamping via de bladeren. Dit is goed te zien aan de Rhododendron die bij strenge vorst zijn bladeren wat laat hangen om op die manier zo min mogelijk water te verdampen.

17. Heesters winterbloeiend
Winterjasmijn (Jasminum nudiflorum) bloeit met gele bloemen van december tot in maart. De heester wordt meestal gebruikt als leiplant en kan behalve tegen een muur of schutting op het zuiden ook tegen een west- of oostmuur staan. De sneeuwbalsoort (Viburnum x bodnantense) is een bladverliezende heester die in de zomer niet opvalt. In de winter maakt deze struik pas echt furore met dieproze, heerlijke geurende bloemen die in dichte trosjes bij elkaar zitten. De makkelijke struik kan in de zon of halfschaduw staan.
De sierkerssoort (Prunus subhirtella “Autumnalis”) bloeit in zachte winters van november tot het voorjaar met kleine, roze bloemen. Bij vorst houdt hij een bloeipauze. Deze sierkers wordt gekweekt als boom op stam en als heester waarbij meerdere takken uit de grond komen.
Camelia is een prachtige wintergroene struik uit Japan. Plant hem op een beschutte plaats. De westkant van het huis is heel geschikt. Op die plek schijnt in de ochtend niet de felle zon, want die kan vooral na nachtvorst schadelijk zijn. Camelia's houden van zure, voedzame grond.

18. Heide
Van heide (Calluna en Erica) kunt u het hele jaar door genieten. Zelfs midden in de winter zijn er bloeiende heideplanten. Een natuurlijk aangelegde heidetuin biedt veel variatie en verveelt nooit. Alle planten die in een heidetuin thuishoren zoals coniferen, azalea's en andere rododendronsoorten, houden van zure grond. Er moet dus veel tuinturf in de grond gewerkt worden. Vooral op groeiplaatsen is extra tuinturf noodzakelijk en turfstrooisel maakt de grond luchtig.
Het planten van heide: De mooiste tuin krijgt u als u steeds in groepjes plant en combinaties maakt met coniferen, heesters en planten die ook van zure grond houden. Zet zeven tot negen heideplanten per vierkante meter en zorg dat de wortelkluitjes zeker twee centimeter onder het oppervlak komen.
Verzorging: Als een heidetuin volgroeid is, is de bodem zo goed bedekt dat onkruid weinig kans maakt. Heide moet ieder jaar gesnoeid worden. Zomerbloeiers worden als het niet meer vriest rond half maart gesnoeid en bij winter- en voorjaarsbloeiende heide snoeit men na de bloei. Knip de heide een beetje bol op eenderde terug. In het voorjaar wordt de heidetuin bemest met gedroogde koemest of speciale heidemest.
Planten voor de heidetuin: Struikheide (Calluna) in allerlei blad- en bloemkleuren en zomer- of winterbloeiende dopheide (Erica) vormen de basis van de heidetuin. U krijgt nog meer variatie en mooie combinaties met azalea's, rododendrons en coniferen, en ook een vijver met bijpassende beplanting kan veel sierwaarde aan de tuin toevoegen. Heestersoorten als Lavendelheide (Andromeda polifolia) zijn wintergroen en bloeit roze. Berendruif (Arctostaphylos uvaursi) heeft roze bloemen en is wintergroen. Ierse heide (Daboecia cantabrica) is er in verschillende tinten. Enkianthus campanulatus bloeit geelroze. Bergthee (Gaultheria) is wintergroen en draagt prachtige bessen. Moerasheide (Ledum groenlandicum) heeft witte bloemen en is ook wintergroen. De vrouwelijke planten van Pernettya mucronata dragen witte of rode bessen.

19. Klimplanten
Klimplanten zijn echte sfeermakers. Een oud houten schuurtje krijgt met een klimplant een extra romantische uitstraling. Een huis begroeid met klimmers krijgt zelfs een landelijk tintje. Op de grond nemen klimplanten relatief weinig ruimte in en horen daarom zeker in een kleine tuint thuis.
Welke klimmer? De keuze in klimplanten is erg groot. Soorten zoals klimhortensia (Hydrangea petiolaris), klimop (Hedera), Duitse pijp (Aristolochia) en kamperfoelie (Lonicera) kunnen flink wat schaduw verdragen. Blauwe regen (Wisteria), trompetbloem (Campsis), druif (Vitis) en kiwi (Actinidia) willen een zonnige standplaats. De groeikracht van klimplanten is heel verschillend. Bruidsluier en hop (Humulus) groeien zo snel dat u ze beter niet te dicht tussen andere planten kunt zetten. Deze soorten zijn vooral geschikt in een wat wildere tuin waar ze hun gang kunnen gaan. Clematis zijn dankbare klimmers. Er zijn soorten die in het voorjaar bloeien en er zijn er die in de zomer de show stelen. Wilt u maandenlang bloei tegen uw schutting of muur, zet dan meerdere clematissen bij elkaar die een verschillende bloeitijd hebben. Op het plantenetiket in het potje staat de bloeitijd van de klimmer vermeld.
Klimmers planten: Klimplanten kunt u het beste een stukje van de gevel vandaan planten. Let erop dat het regenwater de plant goed kan bereiken. Voordat u gaat planten kunt u de grond verbeteren met Potgrond. Vaak is de grond langs een muur of schutting erg schraal. De klimmer krijgt een betere start als hij in goede grond geplant wordt. Vooral in het begin de plant frequent water geven.
Klimmend fruit: Heeft u in uw tuin geen ruimte voor fruitbomen of struiken dan zijn klimplanten die vrucht dragen een uitkomst. Zet op een zonnige plek een braam (Rubus), druif, kiwi of Japanse wijnbes (Rubus phoenieolasus).

20. Kruiden
Kruiden zijn behalve lekker ook vaak heel mooie tuinplanten. U kunt ze op een zonnige plek in de tuin in de volle grond planten, maar ook in potten voelen ze zich thuis. Op een zonnig terras of balkon kunt u kruiden in potten planten. Kruiden geuren heerlijk en zo krijgen ze in de zon een extra dimensie.
Het planten: Spit voordat u gaat planten Compost door de grond. Zet de kruiden bijvoorbeeld in vakken omringd met Buxus. Ook kunt u de kruiden tussen andere planten zetten. In plaats van Buxus kunt u zelfs andere kruiden zoals lavendel, gamander (Teucrium) of tijm als haagje gebruiken. In grote potten kunt u combinaties van kruiden maken of ze per stuk in één potje zetten.
Soorten: De geurige blaadjes van basilicum worden steeds meer in de keuken gebruikt. Zet dit eenjarige kruid het liefst in een pot op een zo zonnig mogelijke plek.
Salie (Salvia) is een prachtige vaste plant met mooi grijs blad. In juni verschijnen de bloemen en na de bloei kunt u de plant wat terugknippen zodat hij mooi compact blijft.
Dille kunt u als plantje kopen, maar ook zelf zaaien. Door zijn ijle groei is dit prachtige kruid heel geschikt om bijvoorbeeld met rozen te combineren.
Eén van de makkelijkste kruiden is bieslook. Het is een winterharde uiensoort die prachtige paarse bloemen geeft. Zelfs een plek in de halfschaduw kan hij prima staan.
Rozemarijn heeft in de winter een beschutte plek nodig om te overleven. Zelfs bij aanraking komt de specifieke geur vrij die al snel aan de Italiaanse keuken doet denken.

21. Kuipplanten
Kuipplanten zijn planten uit zuidelijke streken. In ons klimaat moeten ze vanaf oktober binnen worden gezet omdat ze anders bevriezen. De meeste soorten willen overwinteren bij een temperatuur van vijf tot vijftien graden. Een verwarmde kas of serre of een koele garage is een prima plek om kuipplanten over te houden.
Op welke plek: De meeste kuipplanten verkiezen een zonnige plek. Met kuipplanten kunt u uw terras of balkon een tropische sfeer geven. Veel soorten bloeien uitbundig en langdurig.
De verzorging: Per soort is er verschil in verzorging. Lees daarom eerst de gegevens die op het plantenetiket staan. Let er altijd op dat het water goed weg kan lopen uit de pot. Planten kunnen er niet tegen om dagenlang met hun voeten in het water te staan. Geef de kuipplant wekelijks plantenvoeding en na half augustus kunt u met mesten stoppen want dan gaat de plant aan zijn rustperiode beginnen. Na half oktober kunt u de kuipplanten binnen zetten. De kans op nachtvorst is vanaf die datum aanwezig. Veel soorten kunt u wat terugknippen of in model snoeien. Snoei in ieder geval dode takken en dorre blaadjes weg. De meeste soorten hoeven in de wintermaanden weinig water. In het algemeen geldt dat hoe koeler de planten staan des te minder water ze nodig hebben. Als de zon wat meer kracht begint te krijgen, gaan kuipplanten weer uitlopen. Er zijn zelfs soorten die bijna al hun blad hebben verloren en nu schuchter tot leven komen. Begin nu steeds meer water te geven en verpot de soorten die in een te kleine pot staan. Dit is vaak te zien aan de wortels die zelfs onder de pot uit groeien. Vanaf april kunt u beginnen met mesten. Als de kans op nachtvorst, rond half mei, voorbij is kunnen ze weer naar buiten. Zet ze op een bewolkte dag buiten, want te veel zonlicht ineens kan verbranding tot gevolg hebben.

22. Rozen
Rozen kunt u op verschillende manieren in de tuin toepassen. Als achtergrond, tussen vaste planten, als bodembedekker en als klim- of leiplant.
Grootbloemige rozen: Deze rozen hebben vaak gevulde bloemen die apart op een steel staan. Ze bloeien tot in de nazomer. Een bekende grootbloemige roos is de roze 'Queen Elisabeth'. U kunt ze vooral in de bloemenborder toepassen.
Trosrozen:Trosrozen hebben meerdere bloemen per steel. Heel bekend is de witte 'Schneewittchen' en de roze 'Bonica'. Deze rozen zijn heel geschikt om in rozenperken te gebruiken. Eventueel kunt u ze planten in een carré van buxushagen. Ook heel bekend en rijk bloeiend is de roze 'The Fairy'.
Heesterrozen: Heesterrozen zijn rozen die flink hoog kunnen worden en heel geschikt zijn om tussen andere struiken te worden gezet. Door hun wat losse vorm hebben ze een mooie, natuurlijke uitstraling. Er zijn doorbloeiende heesterrozen en er zijn soorten die alleen in de zomer bloeien. Vaak krijgt de laatste groep kleurige bottels.
Klim- of leirozen: Echt klimmen doen deze rozen niet. Ze maken wel lange takken die makkelijk aan te binden zijn. Ze moeten daarom altijd in hun klimtocht geholpen worden.
De standplaats: Rozen houden van een zonnige, luchtige standplaats.
Rozen snoeien: In de eerste weken van maart kunt u rozen snoeien, maar alleen als het niet vriest. Rozen houden van lucht en licht. Hoe beter de zon en de wind tussen de takken kan komen, des te mooier en gezonder zal de roos worden. Begin daarom eerst met de dode takken weg te knippen. Deze herkent u aan de donkerbruine tint en aan het feit dat ze heel makkelijk afbreken. Van takken die elkaar kruisen en elkaar dus belemmeren in de groei, haalt u de dunste weg. Nu kunt u aan het eigenlijke snoeien beginnen. Knip altijd met een korte schuine snede. Snoei boven een oog (een oog is een geringe verdikking op de tak). Kies altijd een oog dat aan de buitenkant van de tak zit.
Bij klimrozen moet u de doorgaande hoge takken met rust laten. De zijtakken op de hoofdtak knipt u terug tot op ongeveer twee centimeter. Komen er op den duur te veel 'doorgaande' takken, zaag dan de oudste - de leeftijd is aan de donkere kleur te herkennen - bij de grond af.
De Grootbloemige- en trosrozenknipt u terug tot op drie á vier ogen.
Rozen op stam worden net zo gesnoeid als tros- en grootbloemige rozen. De entplek zit bij deze rozen aan het eind van de lange steel waar de takken uitkomen. U knipt de takken tot drie á vier ogen terug. Bij deze rozen gaat het vooral om de vorm. Houd daarom met snoeien het model in de gaten.
Bij kleine rozensoorten zoals 'The Fairy' zijn de 'ogen' lastig te ontdekken. Knip deze soorten tot ongeveer vijf á tien cm boven de grond af.

23. Siergrassen
Siergrassen zijn sierlijke planten die een tuin een heel natuurlijk tintje geven. Ze zijn er in verschillende bladkleuren: groen, geel, grijs en blauw. Ook is er veel variatie in bloeiwijzen. Siergrassen combineren prachtig tussen vaste planten, langs de vijver en ook als solitair komen ze volledig tot hun recht. Het mooiste effect in een border krijgt u als u voor één soort kiest. Als tussen een groep vaste planten een siergras wordt herhaald, maakt dat een rustige, natuurlijke indruk. De kleinere soorten staan mooi in groepjes en van de hogere soorten heeft u vaak maar één tot drie stuks nodig.
Siergrassen zorgen vooral in het najaar voor extra waarde. Grassen moeten op een niet te natte plaats staan.
Grassoorten op een zonnige plaats: Struisriet (Clamagrostis x acutiflora) wordt 150 cm hoog en heeft slanke, bruine aren. Morgensterzegge (Carex grayi) wordt 50 cm hoog en is in een zachte winter groenblijvend. Panicum virgatum wordt 120 cm en heeft luchtig vertakte bloeiwijzen. Lampenpoetsergras (Pennisetum) doet zijn naam eer aan. Aan de 70 cm hoge smalle bladeren zitten langwerpige aren. De plant is in de herfst op zijn mooist. Blauwgras (Sesleria) vormt grote pollen en wordt 50 cm hoog. Vedergras (Stipa barbata) heeft dofgroen blad en groeit 60 cm hoog. Al deze soorten willen het liefst op een zonnige plek staan.
Solitaire grassen:De hogere grassoorten komen vooral tot hun recht zonder andere beplanting er omheen. Vaak hebben ze ook ruimte nodig om zich te ontwikkelen. Sierriet (Miscanthus) is er in verschillende soorten en kan 150 cm en hoger worden. Pampasgras (Cortaderia) kan wel twee tot drie meter worden. De plant moet in de winter wat afgedekt worden om hem tegen strenge vorst te beschermen.
Bodembedekkende grassen: Zegge (Carex morrowii ‘Variegata') heeft bont blad en is een leuke, groenblijvende bodembedekker voor in de zon en halfschaduw. Zwenkgras (Festuca scoparia) kan een dicht tapijt gaan vormen.

24. Snoeivormen
Vormbomen in verschillende hoogtes geeft diepte en maakt de tuin spannend. Zelfs in een kleine tuin zorgt een boom voor een belangrijk verticaal accent.
Vormbomen hebben een vastliggend model en groeien niet veel meer. Steeds vaker zien we bomen met een bol-, lei- of dakvorm.

25. Varens
Winterharde varens
Veel winterharde varens houden van schaduw en vochtige grond. In een donkere tuin zijn het perfecte bodembedekkers. Sommige varens kunnen behoorlijk woekeren en dat maakt ze minder geschikt voor een tuin met normale afmetingen.
Venushaar (Adiantum pedatum) groeit goed op een licht beschaduwde plek in een goede tuingrond en wordt 60 cm hoog.
Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) behoort tot de bekendste soorten en wordt 75 cm hoog.
Dubbelloofvaren (Blechnum spicant) dankt zijn naam aan het feit dat er gedurende het groeiseizoen twee soorten bladeren worden gevormd. De 50 cm hoge varen kan in de schaduw staan, maar is de grond vochtig genoeg dan kan hij veel zonlicht dragen.
Mannetjesvaren (Dryoptreris filix-mas) heeft bladeren van wel 60 tot 100 cm lang. De varen wordt 75 cm hoog en kan gaan woekeren.
Bolletjesvaren (Onoclea sensibilis) wordt 100 cm hoog en voelt zich in de zon en in de schaduw op zijn plek.
Koningsvaren (Osmunda regalis) komt in ons land in bossen en moerassen voor. Op een vochtige plaats kan hij wel twee meter hoog worden. Op droge plekken blijft hij veel kleiner.
Eikvaren (Polypodium vulgare) groeit op zandige bosgrond en op duinhellingen. Zelfs aan de voet van een eikenboom groeit deze varen met heldergroen blad goed.
Naaldvaren (Polystichum setiferum) heeft een fijne bladstructuur en is wintergroen.

26. Vaste planten
Vaste planten zijn de fundamenten van een tuin. In het voorjaar verschijnt het frisse groen en beginnen ze aan hun groei- en bloeitijd. In het najaar sterven de meeste soorten boven de grond af, maar de wortels onder de grond blijven leven en de plant houdt dan een winterslaap. In het voorjaar begint de cyclus weer van voren af aan.
Vaste planten hebben hun eigen wensen wat betreft het aantal zonuren. Op het plantenetiket in het potje staat met een symbool aangegeven of de plant met zon (6 uur zon), halfschaduw (4 uur zon) of schaduw (2 uur zon) genoegen neemt. Vaste planten komen het best tot hun recht in groepen. Kies voor minimaal 5 stuks of meer, al naar gelang de grootte van de tuin en 5 stuks per m2 .
Vaste planten in een border:
De kleur van de bloemen is een kwestie van smaak. De bloeitijd staat op het plantenetiket vermeld. U kunt het dan zo uitkienen dat er altijd iets bloeiends te zien is. In een border staan de lage planten vooraan en de hogere soorten op de achterste rij. Wordt een plant hoger dan verwacht, geen nood, u kunt hem in het voor- of najaar uitgraven en hem een andere plek geven. Het is altijd erg handig om het plantenetiket naast de plant te steken. Vooral in het voorjaar als er nog weinig boven de grond staat, is zo'n geheugensteuntje een goede hulp.
Vaste planten in de winter: In het najaar kunt u vaste planten gewoon laten staan. Ze hoeven niet te worden afgeknipt. Veel soorten hebben ook in het najaar en winter een functie. De uitgebloeide bloemen hebben een mooi silhouet en met een laagje sneeuw of rijp worden ze helemaal prachtig. De meeste soorten vaste planten zijn goed winterhard en zullen zelfs een strenge winter makkelijk overleven.
Vaste planten voor schaduw: Een schaduwtuin kan met verschillende bladvormen en bladkleuren een heel evenwichtige en rustgevende uitstraling hebben. Schaduwplanten bloeien over het algemeen in het voorjaar. Er zijn ook schaduwplanten die later in het seizoen bloeien, bij voorbeeld de Hosta, een plant die flink wat schaduw kan verdragen en in de zomer bloeit.
Wilt u schaduwplanten aanschaffen, kijk dan op het plantenetiket in de pot naar het symbool met een halfzwart zonnetje (4 uur zon). Planten met geheel zwart gemaakt zonnetje hebben zelfs aan 2 uur zon per dag genoeg.
De kerstroos (Helleborus) begint al in februari te bloeien. De meeste soorten hebben prachtig blad dat ook in de zomer veel sierwaarde heeft. In maart volgt het leverbloempje (Hepatica) gevolgd door longkruid (Pulmonaria) en maagdenpalm (Vinca). Kaukasische vergeet-mij-niet (Brunnera) is in de schaduw een heel dankbare plant. Ook sleutelbloemensoorten (Primula) kunnen flink wat schaduw verdragen en bloeien tot in mei. Ook treurend hartje (Dicentra) en dovenetel doen het goed in de schaduw. Veel ooievaarsbeksoorten (Geranium) kunnen flink wat schaduw verdragen. Heel bekend zijn de roze bloeiende Geranium endressii en de Geranium macrorrhizum die in een niet te koude winter zelfs zijn groene blad houdt. Vrouwenmantel (Alchemilla mollis) is een van de makkelijkste vaste planten en kan zowel in de zon als in de schaduw staan. Ruit (Thalictrum) is een decoratieve, ijle vaste plant die flink hoog wordt.
Schildpadbloem (Chelone obliqua) is een stevige vaste plant die niet snel omvalt. De zilverkaars (Cimicifuga) wordt flink hoog en valt in de nazomer met zijn witte bloemen goed op. De blauwe monnikskap (Aconitum carmichaellii) bloeit soms nog in oktober en is ook nog eens een prachtige snijbloem.
Er zijn ook vaste planten met bont of geelachtig blad die een border een stuk levendiger kunnen maken, zoals de hosta.

27. Vijver- en Moerasplanten
In een vijver kunnen waterplanten op verschillende diepten staan. We noemen dat plantzones:
-De diepwaterzone waarin waterlelies en onderwaterplanten groeien.
-De ondiepwaterzone (tot 50 cm diep) met oeverplanten die in het water willen staan.
-De moeraszone met planten die nat willen staan.
-De natte oever met planten die van vochtige grond houden.
Zuurstofplanten:Zuurstofplanten zijn essentieel voor helder water. Zij zorgen voor de noodzakelijke zuurstof en zuiveren het water in de vijver. Soorten als hoornblad, waterpest, blaasjeskruid en bronmos hoeven niet te worden geplant. Ze worden met een gewicht verzwaard en in bosjes in het diepe vijvergedeelte gegooid.
De belangrijkste beplanting in de vijver zijn zuurstofplanten. U heeft vier á vijf bosjes per vierkante meter vijveroppervlak nodig.
Waterlelies: Er zijn waterlelies die op een diepte van 100 cm willen staan, maar er zijn ook soorten die met een diepte van 20 cm genoegen nemen. Ze houden van stilstaand water zonder fontein. Zet waterlelies altijd in ruime manden en plant ze in speciale vijvergrond. leg op de aarde in de mand wat kiezelstenen en laat de mand daarna op de vijverbodem zakken. Plant ze tussen half maart en juni op een zonnige plek. Houdt u vooral aan de plantdiepte die op het etiket in de pot bij waterlelie staat aangegeven.
Drijfplanten: Drijfplanten drijven los op het water en zorgen net als waterlelies voor schaduw. Vissen kunnen zich prachtig onder de bladeren verschuilen en algen hebben door de schaduw minder kans. Soorten als krabbenscheer en waternoot overleven de winter, maar waterhyacinten en vlotvarentjes sterven af.
Moeras- en oeverplanten: In moeras- en oeverplanten is een enorme variatie. Veel soorten bloeien prachtig en hebben decoratief blad. Veel planten kunnen zowel in ondiep water als nog net nat staan. Let ook hier vooral op de diepteaanduiding op het plantenetiket. Sterk groeiende en woekerende soorten kunt u het beste in mandjes zetten om ze in toom te houden. Pas op met rietsoorten, die hebben scherpe wortelpunten die zelfs door vijverfolie kunnen heen groeien. Veel bodembedekkende moerasplanten kunnen heel mooi de vijverrand overgroeien waardoor deze schitterend wordt gecamoufleerd. Tussen oever- en moerasplanten vinden kikkers, padden en salamanders een uitgelezen schuilplaats. Laat de planten daarom zoveel mogelijk met rust en haat de afgestorven plantresten pas in het voorjaar weg.

 

Nu in uw winkelwagen:  0 product(en), 0 stuks, totaal € 0,00 Bekijk winkelwagen